College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden

Beleid respijttermijnen per 1 september 2016

Het college heeft het beleid voor het afgeven van respijttermijnen bij niet verlengen, wijzigen of intrekken van een toelating voor gewas en biociden aangepast. Het nieuwe beleid is per 1 september 2016 van kracht.

Onder voorwaarden kan het college een respijttermijn (aflever- en opgebruiktermijn) afgeven voor een toelating die niet wordt verlengd, wordt gewijzigd of ingetrokken. De respijttermijn is bedoeld om de sector eraan te laten wennen dat een middel niet langer op de markt is. De termijnen geven de toelatinghouder de ruimte om andere belanghebbenden te informeren zodat de sector naar alternatieve middelen kan zoeken en eventuele voorraden kunnen worden opgemaakt.

De toelatinghouder van het gewasbeschermingsmiddel verzoekt om een respijttermijn en onderbouwt waarom deze nodig is en hoe lang deze zou moeten duren. Een verzoek kan worden ingediend door middel van het WI-formulier.

Uitgangspunten bij het vaststellen van de respijttermijn

Voor de maximale lengte van de termijnen volgt het college de Europese Verordening voor gewasbeschermingsmiddelen (EG) 1107/2009. De maximum duur van de respijttermijn is 6 maanden voor afleveren en nog eens 12 maanden daarbovenop voor opgebruik.

De duur van de respijttermijn is afhankelijk van het risico voor de gezondheid van mens, dier of milieu. Bij het bepalen van de termijn maakt het College een afweging tussen:

  • de ernst van de risico’s en of er bij vergelijkbare middelen dergelijke risico’s bekend zijn door herbeoordeling of ingediende informatie. Hoe groter het risico, hoe korter de respijttermijn, teruglopend tot geen. Bij een onaanvaardbaar risico voor mens, dier of milieu wordt geen respijttermijn verleend;
  • de omvang van de voorraad;
  • het gebruiksseizoen;
  • en de mate waarin de keten verrast is door het besluit en de mogelijkheden om de gevolgen van de plotselinge intrekking op te vangen.

Bij intrekking op verzoek van de toelatinghouder wordt in beginsel geen aflever- of opgebruiktermijn toegekend, omdat de markt of gebruiker dan niet verrast kan zijn door het besluit, aangezien de toelatinghouder zich actief dient op te stellen om de keten te informeren. Toch kan de toelatinghouder ook in deze gevallen gemotiveerd om een respijttermijn verzoeken.

Voor afgeleide toelatingen en parallelle toelatingen stelt het college een zelfstandige respijttermijn vast.