College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden

Glyfosaat: de stand van zaken

De werkzame stof glyfosaat is een veel besproken onkruidbestrijder. Juni ‘16 besloot de Europese Commissie de lopende goedkeuringsperiode met 18 maanden te verlengen tot eind 2017. Daarna zal de Commissie het voorstel voor verlenging van de goedkeuring waarschijnlijk opnieuw aan de orde stellen. In de tussentijd gaat het Europees Agentschap voor Chemische stoffen -ECHA- de mogelijke gezondheidseffecten van de stof onderzoeken, zoals gebruikelijk binnen het reguliere proces van goedkeuring. Ook het mogelijk kankerverwekkend zijn – zoals het International Agency for Research on Cancer (IARC) suggereerde – wordt daarin meegenomen.

Eén van de voorwaarden voor de verlengde toelating was dat de toelating van middelen met de combinatie van glyfosaat en de hulpstof POE-tallowamine wordt ingetrokken. Voor de Nederlandse markt betrof het 36 middelen (12 zgn. moedertoelatingen en 24 afleidingen daarvan). In deze middelen bevordert de toevoeging van tallowamine het uitvloeien van het betreffende middel. De reden voor het Europese besluit is dat de commissie in toxicologische onderzoeken een gezondheidsrisico constateert bij middelen die de combinatie van glyfosaat en tallowamine bevatten.

Hieronder volgt een uitgebreide toelichting op de stand van zaken voor glyfosaat.

1. Wat is glyfosaat ?

Glyfosaat is een onkruidbestrijdingsmiddel dat al tientallen jaren is toegelaten. Het kenmerkt zich door een korte nawerking; met andere woorden, het breekt snel af. Het is toegelaten in alle 28 lidstaten van de Europese Unie. Het kent vele toepassingen, zoals onder andere:

  • op landbouwgronden voor het zaaien of planten van een gewas
  • op spoorwegen
  • in tuinen voor gebruik door de tuinliefhebber

Een volledig overzicht van alle toelatingen in Nederland vindt u via toelatingen raadplegen.

Glyfosaat wordt dikwijls in verband gebracht met genetisch gewijzigde gewassen. Er bestaan inderdaad gewassen die genetisch gewijzigd zijn zodat ze niet langer gevoelig zijn voor glyfosaat. Daardoor kan glyfosaat in deze gewassen worden gebruikt zonder er schade toe te brengen. In Nederland is een dergelijk gebruik van glyfosaat niet toegelaten.

2. Hoe werd glyfosaat in de Europese Unie beoordeeld?

In de EU zijn gewasbeschermingsmiddelen sinds 1993 aan een dubbele toelatingsprocedure onderworpen. De werkzame stof moet eerst op EU-niveau worden goedgekeurd. Vervolgens kunnen de lidstaten gewasbeschermingsmiddelen toelaten die zo’n goedgekeurde stof bevatten.
Glyfosaat werd op EU-niveau voor het eerst goedgekeurd op 01/07/2002. De procedure verliep als volgt:

  • Duitsland werd als rapporterende lidstaat aangewezen door de Europese Commissie en heeft een evaluatieverslag (een ‘draft assessment report’ of DAR) opgesteld;
  • experts van alle lidstaten hebben het Duitse verslag nagekeken ; de experts hebben de Duitse DAR ook in een vergadering besproken;
  • de Europese Commissie heeft in overleg met de lidstaten besloten tot de goedkeuring van glyfosaat. Een verslag van de Commissie is openbaar.

Er werd onder andere geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn dat glyfosaat kankerverwekkend zou zijn.

De EU-goedkeuring loopt ten einde op 30/06/2016. Er werd een aanvraag tot vernieuwing van de goedkeuring ingediend. Duitsland is opnieuw de rapporteur. Het gedetailleerde Duitse evaluatieverslag dateert van december 2013. Het is beschikbaar op de website van de European Food Safety Authority (EFSA).

Het dossier dat werd beoordeeld door Duitsland bevat niet alleen studies uitgevoerd in opdracht van de producent, maar ook alle relevante tijdens de laatste 10 jaar gepubliceerde studies, waaronder ook deze beoordeeld door het IARC (zie vraag 3). Duitsland heeft een groter aantal studies inzake kankerverwekkende eigenschappen beoordeeld dan het IARC.

Duitsland heeft besloten dat er zeer beperkte aanwijzingen zijn van kankerverwekkende eigenschappen in proeven uitgevoerd op muizen met overdreven hoge doses, maar echter onvoldoende om glyfosaat in te delen als kankerverwekkend.

Naar aanleiding van het Duitse verslag heeft EFSA eerder dit jaar een vergadering met experts gewijd aan de toxicologische eigenschappen van glyfosaat. EFSA, als wetenschappelijke onafhankelijke organisatie, heeft haar conclusie op 12 november 2015 gepubliceerd. EFSA concludeert dat glyfosaat niet als kankerverwekkend moet worden ingedeeld.

3. Wat heeft het IARC gepubliceerd?

Het IARC heeft op 20 maart een nota, alsook een korte samenvatting (beide 2 bladzijden) in het wetenschappelijk tijdschrift ‘The Lancet Oncology’ gepubliceerd waarin een nieuwe indeling inzake kankerverwekkende eigenschappen wordt voorgesteld voor 5 werkzame stoffen van gewasbeschermingsmiddelen (waaronder glyfosaat). De volledige IARC-evaluatie (met daarin de gegevens die beoordeling ervan toelaten) werd pas op 29 juli 2015 gepubliceerd.
Het IARC heeft voorgesteld dat glyfosaat moet worden ingedeeld in de klasse 2A als “waarschijnlijk kankerverwekkend voor de mens". Het IARC houdt vol dat deze indeling is gebaseerd:

  • op sinds 2001 gepubliceerde studies inzake de blootstelling van mensen aan glyfosaat; en
  • op studies met laboratoriumdieren.

Het IARC heeft echter geen enkele wettelijke bevoegdheid in Europa. Onder de Europese wetgeving wordt glyfosaat momenteel niet als kankerverwekkend beschouwd. Niettemin is deze indeling een nieuw gegeven waar niet zomaar aan voorbij kan worden gegaan.
Daarom hebben de Europese en nationale instanties, waaronder het Ctgb, deze studie zo snel mogelijk beoordeeld. Eventuele beperkende maatregelen of een verbod van een stof moeten worden gemotiveerd, en zo’n motivatie kan enkel berusten op wetenschappelijk gronden.

4. Werd in de EU-beoordeling rekening gehouden met het IARC rapport?

De Europese Commissie heeft EFSA uitdrukkelijk gemandateerd om de bevindingen van het IARC nauwkeurig te onderzoeken vooraleer haar conclusie te publiceren. De Commissie heeft onder andere gepreciseerd dat EFSA moet onderzoeken:

  • of het IARC toegang had tot meer informatie dan deze waarover de rapporterende lidstaat Duitsland beschikte;
  • in hoeverre de IARC-evaluatie gebaseerd is op enerzijds informatie over de werkzame stof glyfosaat en anderzijds op gegevens die betrekking hebben op formuleringen die naast glyfosaat nog andere bestanddelen bevatten;
  • of er een duidelijk verband bestaat tussen de fenomenen zoals vastgesteld in het IARC-rapport en de toepassing van glyfosaat bevattende gewasbeschermingsmiddelen in overeenstemming met de goede gewasbeschermingspraktijken in Europa;
  • of de toxicologische indeling zoals voorgesteld door de rapporterende lidstaat Duitsland moet worden aangepast.

5. Waarom zijn het IARC en de EFSA tot tegenstrijdige conclusies gekomen?

EFSA heeft samen met experts van de lidstaten en experts van het IARC, WHO, USEPA en ECHA de IARC-monografie en meer in het algemeen de eventuele kankerverwekkende eigenschappen van glyfosaat in detail besproken. De conclusie van de EU-vertegenwoordigers was: 'Based on a weight of evidence approach, the evidence does not support classification with regard to carcinogenicity, (one minority view)'. Deze vergadering geeft ook een beeld van wat ten grondslag ligt aan de uiteenlopende visies van EFSA en IARC. Het gaat daarbij om de volgende elementen:

  • Het voornaamste was dat het aantal dierstudies in het EU-dossier veel groter was dan in het IARC-dossier, wat dus de mogelijkheid bood om een meer verfijnde analyse uit te voeren.
  • Voorts gebruikt de EU een andere strategie om de gegevens statistisch te verwerken. Zo heeft men in de EU-review een balans gemaakt tussen enerzijds trends in tumorvorming (die door het IARC als relevant werden geacht) en anderzijds alle andere beschikbare gegevens, zoals extreme toxiciteit, spontane tumorincidenties (“historische controles”), en de afwezigheid van een consistente respons in vergelijkbare lange-termijnstudies met glyfosaat. Het IARC daarentegen heeft vooral aandacht besteed aan de trend in tumorvorming.
  • Bij de beoordeling van epidemiologische studies gaven de EU-experts een groter gewicht aan de uitkomst van de grootste en naar hun opinie relevantere “Agricultural Health Study” dan aan de andere studies. Het IARC daarentegen vond dat ook de kleinere, minder gedetailleerde studies even belangrijke conclusies opleverden als de meest uitgebreide studie. Net als bij de experimentele dierstudies laten de thans bestaande epidemiologische studies trouwens geen consistent beeld zien betreffende het kankerverwekkende vermogen van glyfosaat, ook al omdat de bestudeerde populaties aan talloze producten blootgesteld werden, waarbij het aandeel van glyfosaat in de menselijke gezondheid onduidelijk wordt.
  • Het mandaat van de EFSA is er voornamelijk op gericht de eigenschappen van de stof te bestuderen, en niet van de talloze producten (mengsels) die op de markt worden gebracht. Gepubliceerde gegevens van studies uitgevoerd op producten waarvan de herkomst niet altijd op te sporen is of die van onduidelijke samenstelling zijn, geven geen eenduidig beeld van het gevaar of risico voor de gebruiker van de werkzame stof zelf.

6. Heeft het Franse Agentschap ANSES niet onlangs de IARC-indeling bevestigd?

Het ANSES (Agence nationale de sécurité sanitaire de l’alimentation, de l’environnement et du travail) heeft zich gebogen over de vraag naar de eventuele kankerverwekkende eigenschappen van glyfosaat. Een groep experts heeft de evaluatieverslagen van het IARC, van EFSA en van de Europese rapporterende lidstaat Duitsland bestudeerd. Deze groep heeft geconcludeerd dat er geen reden is om glyfosaat volgens de criteria van de geldende EU-wetgeving (Verordening (EG) nr. 1272/2008) als 1A (bekend als kankerverwekkend voor mensen) of 1B (verondersteld kankerverwekkend voor mensen) in te delen. Over een indeling in categorie 2 (verdacht kankerverwekkend voor mensen) kon de groep zich niet uitspreken zonder een gedetailleerde analyse van de studies zelf te hebben uitgevoerd.

Het door het IARC gehanteerde indelingssysteem verschilt van dat van de Verordening (EG) nr. 1272/2008, maar een indeling door IARC in categorie 2A (vermoedelijk kankerverwekkend) sluit het dichtst aan bij de indeling als 1B onder Verordening (EG) nr. 1272/2008. Met andere woorden, het advies van het ANSES bevestigt de indeling zoals vastgesteld door het IARC niet. Niettemin, gelet op de onzekerheid over een eventuele indeling in categorie 2 (in toepassing van de Verordening (EG) nr. 1107/2009), stelt het Franse agentschap dat het nodig is dat de European Chemicals Agency (ECHA) de indeling van glyfosaat herziet. Het proces dat moet leiden tot een herziening van EU-indeling door het ECHA is overigens lopende, en een beslissing wordt midden 2017 verwacht. Nederland, alsook de andere EU-lidstaten, spreken zich trouwens onverdeeld uit ten voordele van een herbeoordeling door het ECHA.

7. Is de EU-procedure voor de evaluatie van glyfosaat eigenlijk wel transparant?

Transparantie is het kenmerk van de EU-procedure. De volgende documenten zijn beschikbaar op de website van de EFSA:

  • Een samenvatting van het dossier zoals ingediend door de producenten van deze werkzame stof;
  • Het volledige verslag (met uitzondering van een gedeelte dat vertrouwelijke informatie zoals het productieproces bevat) van de rapporterende lidstaat Duitsland, dat maar liefst 3945 bladzijden omvat, waaronder een lijst van 143 bladzijden met de geëvalueerde studies;
  • De EFSA-conclusie;
  • De achtergronddocumenten bij de EFSA-conclusie. In totaal gaat het op 1730 bladzijden met o.a. volgende elementen:
    • De commentaren die door diverse partijen (lidstaten, producenten, derden) op het Duitse verslag werden gegeven, en de manier waarop deze commentaren werden beoordeeld (reporting tables en evaluation tables);
    • De volledige verslagen van de diverse expert meetings;
    • De commentaren op het ontwerp van de EFSA-conclusie.

Alles bij elkaar dus bijna 6000 publiekelijk beschikbare pagina’s met informatie over de grondslag en de wijze waarop glyfosaat werd beoordeeld in de EU-procedure.

8. Hoe zit het met de onafhankelijkheid van de experts die glyfosaat beoordeelden?

Duitsland, als rapporterende lidstaat, heeft de evaluatie laten uitvoeren door het Bundesinstitut für Risikobewertung (BfR), een wetenschappelijke overheidsinstelling. Deze instelling volgt erkende richtlijnen inzake goede wetenschappelijke praktijken.

EFSA, dat een peer review van de Duitse evaluatie heeft uitgevoerd en dat conclusies over de risico-evaluatie heeft opgesteld, is een onafhankelijke wetenschappelijke instelling van de Europese Unie. Tijdens de peer review van glyfosaat heeft EFSA meerdere vergaderingen met experts van de lidstaten georganiseerd. De deelnemende experts worden aangewezen door de autoriteiten van de lidstaten. Zij worden door EFSA uitgenodigd een jaarlijkse verklaring inzake belangen in te dienen. Deze verklaringen worden door EFSA op haar website gepubliceerd. Op de EFSA-website is ook een lijst beschikbaar van de overheidsinstellingen waartoe de experts behoren die aan de peer review meetings deelnemen.

Uiteindelijk zijn de conclusies over de risico-evaluatie wel de volledige verantwoordelijkheid van EFSA. Deze conclusies worden opgesteld door personeelsleden van EFSA. Ook zij moeten een jaarlijkse verklaring inzake belangen indienen.
Er is geen enkele reden om te twijfelen aan de onafhankelijkheid van allen die betrokken zijn bij het beoordelingsproces.

9. Is glyfosaat een hormoonverstorende stof?

Tijdens een EU-evaluatie van een werkzame stof wordt steeds nagegaan of de thans bekende toxicologische werkingswijzen verband houden met een hormonaal effect, wat inhoudt dat dus systematisch een evaluatie van de endocriene eigenschappen plaatsvindt. Wat glyfosaat betreft heeft EFSA in slechts één enkele studie effecten geciteerd waarvan niet valt uit te sluiten dat ze het gevolg zijn van een endocriene werkingswijze; in alle andere ingediende studies werd dergelijk effect echter niet vastgesteld. Intussen heeft een producent van glyfosaat medegedeeld te beschikken over recent uitgevoerde specifieke aanvullende studies die moeten aantonen dat er geen sprake is van een hormonale werking. In het commissievoorstel tot vernieuwing van de goedkeuring van glyfosaat (zie ook vraag 14) wordt de producenten gevraagd deze informatie tegen 1 augustus 2016 in te dienen.

In afwachting van de definitieve criteria voor het identificeren van hormoonverstorende stoffen gelden vandaag nog de zogenaamde interim (voorlopige) criteria, zoals vastgelegd in de Verordening (EG) nr. 1107/2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen. Volgens deze interim criteria is glyfosaat geen hormoonverstorende stof.

10. Hoe gevaarlijk is glyfosaat voor het leefmilieu?

Glyfosaat heeft een relatief gunstig profiel wat de impact op het leefmilieu betreft: voor de meeste groepen van niet-doelorganismen heeft EFSA vastgesteld dat het risico laag is. Dat geldt voor waterorganismen, bijen, niet-doelarthropoden, aardwormen, bodemmacro-organismen en bodemmicro-organismen. Voor vogels en zoogdieren is het beeld iets meer genuanceerd: voor enkele scenario’s waren onvoldoende gegevens voorhanden om een verfijnde risico-evaluatie te verrichten terwijl de ‘first tier’ (d.w.z. de minst verfijnde) evaluatie niet toeliet tot een laag risico te besluiten. Niettemin is ook ten aanzien van deze groepen het globale beeld veeleer gunstig, en heeft EFSA dan ook geen enkele ‘issue that could not be finalised’ of ‘critical area of concern’ geïdentificeerd op het vlak van het leefmilieu, wat zou duiden op nader te onderzoeken of problematische eigenschappen. Ook inzake mogelijke grondwaterbesmetting is de EFSA-conclusie geruststellend.

11. De norm voor de “aanvaarbare dagelijkse inname” (ADI) van glyfosaat werd verhoogd. Betekent dit dat er meer glyfosaatresiduen in het voedsel zullen zitten?

EFSA stelt inderdaad voor om de ADI van glyfosaat te verhogen van 0,3 tot 0,5 mg/kg lichaamsgewicht/dag. De ADI is een toxicologische referentiewaarde die aangeeft hoeveel glyfosaat we dagelijks (ons leven lang) mogen opnemen met het voedsel zonder dat dit effect heeft op ons lichaam. De ADI is doorgaans 100 keer kleiner dan de hoogste aan proefdieren toegediende dosis in toxiciteitsstudies waarbij geen schadelijk effect wordt waargenomen. Er wordt dus (terecht) een zeer ruime veiligheidsmarge aangehouden. De maximaal toegelaten residugehalten in levensmiddelen worden niet afgeleid van de ADI. Zij worden bepaald op grond van residuproeven uitgevoerd overeenkomstig de aangevraagde “goede landbouwpraktijk” voor de toepassing van het gewasbeschermingsmiddel. Vervolgens wordt nagegaan of de aldus verkregen residuen al dan niet leiden tot een inname die de ADI overschrijdt. Een maximaal toegelaten residugehalte wordt slechts wettelijk vastgelegd nadat is aangetoond dat er geen gevaar bestaat op overschrijding van de ADI. Met andere woorden : de som van alle residuen in het voedsel is steeds kleiner dan wat we dagelijks mogen opnemen (de ADI). In het geval van glyfosaat is dat nog geen 50 % (zie hieronder).

Een verhoging van de ADI betekent dus niet dat er meer residuen in het voedsel worden getolereerd. In theorie creëert een verhoging van de ADI ruimte voor het vaststellen van hogere maximaal toegelaten residugehalten, en dus voor het toelaten van landbouwpraktijken die leiden tot hogere residuniveaus in de levensmiddelen (bv een hogere dosis). Maar uit de laatste reasoned opinion van EFSA waarin een berekening wordt gemaakt van de theoretische inname van residuen van glyfosaat, blijkt dat in het meest ongustige geval nog geen 50% van de ADI wordt bereikt. Met andere woorden, de huidige ADI van 0,3 mg/kg lichaamsgewicht/dag is allerminst een beperkende factor voor het verhogen van de maximaal toegelaten residugehalten. Een verhoging van de ADI zal hierdoor geen effect hebben op de residugehalten.

Relevanter dan de bescheiden verhoging van de ADI is het vaststellen door EFSA van een tweede (relatief recente) toxicologische referentiewaarde die van belang is voor de risicobeoordeling van maximaal toegelaten residugehalten, namelijk de acute referentiedosis (ARfD; acute reference dose). Deze waarde geeft aan hoeveel glyfosaat we éénmalig mogen opnemen met het voedsel zonder dat dit effect heeft op het lichaam. Ze werd door EFSA op 0,5 mg/kg lichaamsgewicht vastgesteld. Voortaan zal dus naast de toetsing aan de ADI (een toetsing die de chronische inname van residuen beschouwt) ook een toetsing gericht op acute effecten plaatsvinden. Voor de toepassingen die werden beoordeeld in de context van de aanvraag tot vernieuwing van de goedkeuring van glyfosaat, werd geen probleem van mogelijke overschrijding van de ARfD vastgesteld (de ingeschatte opname was steeds minder dan 10% van de ARfD). In geval van een vernieuwing van de goedkeuring zal de Europese Commissie naar verwachting vragen aan EFSA om alle bestaande maximaal toegelaten residugehalten te toetsen aan de nieuw vastgestelde ARfD.  De toepassing van de nieuwe toxicologische referentiewaarden zal dus niet leiden tot het vaststellen van hogere maximaal toegelaten residugehalten. Als er iets verandert zal het veeleer verlaging of schrappen van sommige gehalten zijn.

12. Wordt er wel voldoende aandacht besteed aan de hulpstoffen, zoals POE-tallowamine, die in een gewasbeschermingsmiddel aanwezig zijn?

Het EU-systeem voor de evaluatie van gewasbeschermingsmiddelen omvat twee stappen:

  • Een evaluatie van de werkzame stof op EU-niveau, die al dan niet leidt tot een EU-goedkeuring; samen met het dossier voor de werkzame stof wordt overigens op dat niveau ook minstens één dossier beoordeeld van een representatief gewasbeschermingsmiddel dat de werkzame stof bevat;
  • Een evaluatie van de gewasbeschermingsmiddelen die een goedgekeurde werkzame stof bevatten op nationaal niveau, met het oog op het al dan niet afleveren van een nationale toelating.

Het is vooral bij die tweede stap dat de formuleringshulpstoffen in beeld komen, maar niettemin is uit het Duitse evaluatieverslag voor glyfosaat gebleken dat de formuleringshulpstof POE-tallowamine, die voorkomt in een aantal gewasbeschermingsmiddelen op basis van glyfosaat, de toxicologische werkingswijze van glyfosaat kan beïnvloeden. Daarom heeft de Europese Commissie EFSA opgedragen zich te buigen over de toxicologische eigenschappen van deze hulpstof.

Begin augustus 2016 besloot de Europese Commissie dat middelen met de combinatie glyfosaat en tallowamine vanaf 22 augustus 2016 niet meer mogen worden toegelaten. Conform dit besluit trok het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) de toelating in van 36 middelen (12 zgn. moedertoelatingen en 24 afleidingen daarvan) op de Nederlandse markt.

13. Welke studies worden in rekening gebracht?

Overal ter wereld geldt de regel dat diegene die een stof op de markt wil brengen, ook de nodige kosten en inspanningen moet leveren om te bewijzen dat die stof geen onaanvaardbaar risico vormt voor menselijke gezondheid en leefmilieu.
De Europese evaluatie is dus gebaseerd op een dossier ingediend door de producent. Dit dossier bevat voornamelijk studies uitgevoerd in opdracht van de producent. Een systeem waarbij de bevoegde overheden verantwoordelijk zijn voor het uitvoeren van deze studies is in geen enkel land voorzien: een dergelijke manier van werken zou gigantisch veel overheidsmiddelen en ambtenaren vergen, geen meerwaarde hebben t.o.v. het huidige systeem, en dus niet realiseerbaar zijn. Het zou erop neerkomen dat de ontwikkeling van nieuwe en veiligere gewasbeschermingsmiddelen ernstig vertraagd zou worden.

Daarom werd ervoor gekozen dat de producenten de studies weliswaar financieren, maar dat de laboratoria die de studies uitvoeren moeten voldoen aan heel strenge criteria op het vlak van transparantie en kwaliteit. Deze kwaliteit wordt nauwgezet gecontroleerd door de overheid:

  • enkel GLP (‘goede laboratorium praktijk’)-laboratoria mogen dergelijke proeven uitvoeren. Dit betekent dat iedere stap van voorbereiden, uitvoeren en rapporteren nauwgezet beschreven wordt, en ieder onderdeel dan ook traceerbaar moet zijn. Met andere woorden, de uitvoerende laboratoria moeten aantoonbaar ‘zeggen wat ze doen, en doen wat ze zeggen’.
  • Bij het indienen van deze GLP-rapporten controleren de nationale overheden op hun beurt of de uitgevoerde studies naar de vorm precies stroken met de studieprotocollen die wettelijk voorgeschreven zijn, en of de interpretatie van de resultaten ervan wetenschappelijk steek houdt.

Naast door de producenten gefinancierde studies moet het Europese dossier ook de meest recente en de relevante literatuurstudies omvatten. Alle gepubliceerde studies van onafhankelijke laboratoria worden dus eveneens meegenomen in de evaluatie.
Het is belangrijk te benadrukken dat de door de producenten gefinancierde studies moeten voldoen aan uitgebreide wettelijke voorwaarden. Ze bevatten veel meer informatie dan de andere studies. Deze studies uitsluiten en de evaluatie enkel baseren op gepubliceerde studies zou leiden tot een erg onvolledig en scheefgetrokken zicht op alle mogelijke effecten van de gewasbeschermingsmiddelen.
De evaluatie van het IARC is, in tegenstelling tot wat vaak beweerd wordt, ook gebaseerd op enkele studies van de industrie.

14. Zal de EU-goedkeuring van glyfosaat worden vernieuwd?

De Europese Commissie is in overleg met de lidstaten een beslissing aan het voorbereiden over de eventuele vernieuwing van de goedkeuring van glyfosaat.
De commissie heeft reeds een eerste voorstel besproken met de lidstaten. Het gaat om een voorstel tot vernieuwing van de goedkeuring, waarbij een aantal bepalingen zijn opgenomen om alle bezorgdheid die uit de EU-evaluatie naar voor kwam te ondervangen. Deze bepalingen zijn:

  • Een verbod op de hulpstof POE-tallowamine in gewasbeschermingsmiddelen op basis van glyfosaat (zie vraag 12);
  • Een afspraak om de goedkeuring van glyfosaat te herzien zodra zou blijken dat glyfosaat in toepassing van Verordening (EG) nr. 1272/2008 als kankerverwekkende stof in de categorie 1A of 1B moet worden ingedeeld (zie vraag 6);
  • Een vereiste tot het indienen op korte termijn (tegen 01/08/16) van gegevens die moeten bevestigen dat glyfosaat geen endocriene (hormoonverstorende)  werking vertoont (zie vraag 9);
  • Een vereiste dat de lidstaten in het kader van de nationale toelatingsprocedure zich er van verzekeren dat glyfosaathoudende  gewasbeschermingsmiddelen geen genotoxische eigenschappen vertonen (zie vraag 12);
  • Een vereiste dat de lidstaten in het kader van de nationale toelatingsprocedure bijzondere aandacht moeten besteden aan de effecten op gewervelde landdieren (zie vraag 10).

15. Namen andere EU-lidstaten al beperkende maatregelen voor glyfosaat?

In toepassing van de Verordening 1107/2009 moet elke lidstaat die een toelating voor een gewasbeschermingsmiddel intrekt of wijzigt omdat blijkt dat niet langer wordt voldaan aan de vereisten voor de toelating de andere lidstaten daarvan onmiddellijk op de hoogte brengen. Op het ogenblik van publicatie van deze tekst heeft geen enkele lidstaat een bericht van intrekking of wijziging van toelatingen voor glyfosaat bevattende gewasbeschermingsmiddelen rondgestuurd.

In Frankrijk werd een horizontale maatregel aangenomen die vanaf 1 januari 2019 van kracht zal worden en waarbij de verkoop van gewasbeschermingsmiddelen aan particulieren zal worden beperkt tot middelen die kunnen worden ingezet in de biologische productiemethode, middelen die beantwoorden aan de definitie van ‘laag-risicogewasbeschermingsmiddel’ en ‘biocontrolemiddelen’. Uiteraard zal deze maatregel ook een impact hebben op de middelen die glyfosaat bevatten, maar het gaat dus om een maatregel die breder is. Ook in Nederland gaat het om een algemene maatregel, namelijk over het gebruik van herbiciden op verharde terreinen, en dus niet over een maatregel die specifiek geldt voor middelen op basis van glyfosaat.

Informatie over glyfosaat op de website van de Europese Commissie.

Wijziging Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden

De wijziging van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden (in werking sinds 31 maart 2016) regelt het terugdringen van het vermijdbaar gebruik van gewasbeschermingsmiddelen buiten de landbouw. Het besluit is gebaseerd op Europees milieubeleid (de EU Sustainable Use of Pesticides Directive 2009/128/EC) en nationaal milieubeleid (o.a. nota Gezonde groei, Duurzame oogst). De toelating van glyfosaat-houdende middelen verandert niet door dit besluit.

Sinds 31 maart 2016 geldt er een verbod op professioneel gebruik van alle gewasbeschermingsmiddelen, dus ook die op basis van de werkzame stof glyfosaat, op verhardingen buiten de landbouw. Op dit gebruiksverbod gelden onder andere de volgende uitzonderingen:

  • Het verbod geldt niet voor gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor het bestrijden van onkruid of mos op:
    a. locaties waar het gebruik van open vuur of draaiende motoren niet is toegestaan;
    b. start-, landings- en taxibanen van vliegvelden;
    c. spoor-, metro en trambanen, voor zover het betreft:
        1° het ballastbed bestaande uit een laag steenslag waarin zich de railconstructie bevindt, of;
        2° inspectie- of schouwpaden gelegen binnen de veiligheidszone;
    d. locaties waar scherpe munitie of explosieven in de bodem aanwezig zijn of kunnen zijn.
  • Het besluit geldt niet voor het bestrijden van duizendknoop en ambrosia.
  • Het besluit geldt niet voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor het behandelen van stobben in, op of langs weg- en waterbouwkundige constructies, indien door mechanisch verwijderen de stabiliteit van deze constructie in gevaar komt.
  • Het besluit geldt niet voor:
    a. sportvelden voor het in georganiseerd verband beoefenen van sport in de open lucht, voor zover het het bespeelbare gedeelte van het terrein betreft inclusief een beperkte zone daar omheen die voor het beoefenen van de sport nodig is.
    b. niet door de overheid beheerde recreatieterreinen, voor zover het betreft:
       1° bungalowterreinen;
       2° groepsaccommodaties;
       3° campingterreinen;
       4° jachthavens, niet zijnde de aanlegsteigers in of nabij het oppervlaktewater.
  • Het besluit geldt niet voor land- en tuinbouwbedrijven die gewassen telen of kweken.

Deze inperking van het gebruik en de daarop geldende uitzonderingen, staan (nog) niet vermeld op het WG (etiket) van de betreffende middelen. Per 1 november 2017 geldt dit verbod ook voor de onverharde oppervlakken.(zie verder het besluit).

Onze Belgische bezoekers verwijzen we graag naar fytoweb.be; een officiële website van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu.