Krijgt een nationale toelating een respijttermijn als het toelating onder de BPR wordt?

Onder het (nationale) overgangsrecht zijn biociden toegelaten met een werkzame stof die nog niet in de EU is goedgekeurd. Zodra de stof wel in de EU is goedgekeurd kan zo’n middel alleen op de markt blijven met een toelating gebaseerd op de biocidenverordening.
De toelatinghouder moet zelf een aanvraag voor toelating onder de BPR van dit middel aanvragen. Onder de BPR krijgt dit middel een Europees toelatingsnummer en vervalt het middel met het Nederlands toelatingsnummer.

De voorraden van het vervallen middel kunnen tijdens de aflever- en opgebruiktermijn door de handel en gebruikers worden opgemaakt. Ook hiervoor zal de toelatinghouder zelf en desgewenst het Ctgb moeten vragen een respijttermijn toe te kennen. Het Ctgb geeft deze termijn niet uit zichzelf.

De respijttermijn die het Ctgb toekent is conform het overgangsrecht-artikel 89, lid 4 BPR : maximaal 180 dagen voor de aflevertermijn en maximaal 365 dagen voor de opgebruiktermijn.