Wanneer wordt een aflever- en opgebruiktermijn (respijtperiode) verleend?

Indien bij een toelating wijzigingen ten opzichte van een eerdere toelating optreden, bijvoorbeeld een toepassingsgebied vervalt, de samenstelling wordt gewijzigd, er worden specifieke restrictiezinnen voorgeschreven of een toelating wordt ingetrokken vóór de expiratiedatum, dan kan volgens artikel 41 lid 5 en artikel 68, lid 5 Wgb een aflever- en opgebruiktermijn (respijtperiode) worden vastgesteld. Indien gewenst kan de aanvrager een voorstel voor een aflever- en opgebruiktermijn indienen; het Ctgb echter besluit of er wel of geen termijn wordt afgegeven. Er wordt geen aflever- en opgebruiktermijn vastgesteld indien de volksgezondheid en de veiligheid voor de toepasser in het geding zijn.

De periode voor een aflever- en opgebruiktermijn is per middel bepaald volgens de gangbare uitgangspunten:
a. de termijn staat in redelijke verhouding tot de reden van de intrekking of wijziging;
b. de termijn loopt bij voorkeur niet af binnen een teeltseizoen of een gebruiksseizoen;
c. de lengte van de termijn mede hangt mede af van de mate waarin de wijziging of intrekking voor de markt en/of gebruiker onvoorzien was en van de mogelijkheden van de markt en gebruikers om de gevolgen van een plotselinge intrekking of wijziging op te vangen;
d. de risico’s voor mens, dier en milieu, waaronder zowel de risico’s bij het voortduren van het gebruik van het gewasbeschermingsmiddel of biocide als de schade die het gevolg is van de vernietiging van voorraden;
e. de economische belangen.

Doel van de termijn is om producenten, leveranciers en gebruikers er aan te laten wennen dat een middel niet (meer) volgens het oude WG/GA gebruikt mag worden en om de voorraden met de oude etiketten op te gebruiken. Verwacht wordt wel dat de toelatinghouder bij een eerstvolgende aanmaak van de etiketten het nieuwe WG/GA gebruikt.