Als de toelating van een middel wijzigt, kunnen producenten vragen om een termijn waarbinnen het middel nog mag worden verkocht en voorraden opgebruikt.

Deze respijttermijn geeft een toelatinghouder de ruimte afnemers en anderen te informeren, biedt speelruimte om alternatieve middelen te zoeken en om voorraden op te gebruiken. Als een toelating verloopt of als de toelatinghouder zelf vraagt om de toelating in te trekken is er in beginsel geen respijttermijn, tenzij de toelatinghouder hierom gemotiveerd verzoekt. Onder voorwaarden kan het college een respijttermijn (aflever- en opgebruiktermijn) afgeven voor een toelating die niet wordt verlengd, wordt gewijzigd of ingetrokken. De lengte van de respijttermijn wordt onder andere bepaald op basis van het risico. Hoe hoger het risico, hoe korter de respijttermijn, teruglopend tot geen respijttermijn.

Voor de maximale lengte van de termijnen volgt het Ctgb de Europese verordeningen voor gewasbeschermingsmiddelen en voor biociden (collegebesluit Respijttermijnen augustus 2016) :

  • Bij gewasbeschermingsmiddelen is de maximale respijttermijn zes maanden voor afleveren, met daar bovenop nog twaalf maanden om ze op te gebruiken.
  • Voor biociden is dat maximaal zes maanden voor afleveren, plus zes maanden om ze op te gebruiken.