Duurzaam gebruik van bestrijdingsmiddelen heeft als doel ongewenste organismen zoveel mogelijk te voorkomen of beheersen met maatregelen die weinig impact hebben op mens, dier en milieu. Bestrijdingsmiddelen, zoals biociden en gewasbeschermingsmiddelen gebruikt men  alleen wanneer dat echt nodig is.

Preventieve en niet-chemische oplossingen vormen het uitgangspunt. Denk aan IPM-maatregelen, teelttechnische maatregelen, biologische bestrijdingsmiddelen of andere methoden om ongewenste organismen tegen te gaan. Pas wanneer deze maatregelen onvoldoende effectief zijn, kan het gebruik van een toegelaten bestrijdingsmiddel noodzakelijk zijn.

Duurzame inzet van biociden

Het duurzaam gebruiken van biociden betekent dat deze alleen worden ingezet wanneer dat echt nodig is.

Het doel is om schade door ongewenste organismen (zoals virussen, bacteriën, plaagdieren, schimmels en algen) te voorkomen. Als deze organismen toch voor problemen zorgen, vormen niet-chemische maatregelen een volgende stap. Biociden mogen pas gebruikt worden als deze maatregelen onvoldoende effect hebben. In het Strategisch Kader Biociden (2023) van de Rijksoverheid staat meer informatie over dit onderwerp. Het kader richt zich op het voorkomen of beheersen van ongewenste organismen, waarbij mensen, dieren en milieu zo min mogelijk blootgesteld worden aan schadelijke stoffen.

Meer informatie is te lezen in het 'Strategisch kader voor de inzet van biocidden bij het voorkomen en beheersen van ongewenste organismen'.

Duurzame gewasbescherming

Binnen de gewasbescherming wordt gewerkt aan een land- en tuinbouwpraktijk die zo min mogelijk behoefte heeft aan chemische (hoog risico) gewasbeschermingsmiddelen. Deze is beter in balans met natuur en milieu en biedt tegelijkertijd agrarische ondernemers de mogelijkheid om hun gewassen te beschermen tegen ziekten en plagen. Dit beleid is uitgewerkt in de Toekomstvisie gewasbescherming 2030.

Telers gebruiken hierbij geïntegreerde gewasbescherming. Die werkwijze maakt gebruik van verschillende methoden om ziekten, plagen en onkruiden tegen te gaan. Preventieve maatregelen, niet-chemische maatregelen, biologische bestrijders en teelt-technische maatregelen voorkomen zoveel mogelijk het inzetten van (chemische) gewasbeschermingsmiddelen. Zijn die toch nodig? Dan gaat de voorkeur uit naar laag-risicomiddelen.

Het boordelen van de veiligheid van een gewasbeschermingsmiddel is vaak een langdurig traject. Het Ctgb wil actief bijdragen aan de gekozen omschakeling. Daarom is er een apart Verduurzamingsloket om aanvragen voor middelen die bijdragen aan geïntegreerde gewasbescherming sneller te kunnen beoordelen. Ook zijn er andere trajecten om laag-risicomiddelen sneller te kunnen toelaten en dus ook sneller te kunnen gebruiken.