Er missen belangrijke randvoorwaarden in het voorstel van de Europese Commissie om de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen en biociden te vereenvoudigen (het ‘Omnibus-voorstel’). Dat is samengevat de boodschap van het Ctgb in een vrijdag 23 januari gepubliceerd advies aan de minister van LVVN en de staatssecretaris van IenW. Het Ctgb bevestigt dat het Europese systeem voor het beoordelen van gewasbeschermingsmiddelen en biociden overbelast is. Het verwelkomt het voorstel van de Europese Commissie om niet alle stoffen periodiek te herbeoordelen, maar selectief te zijn op basis van de risico’s die een stof heeft. Het Ctgb is echter kritisch over de uitwerking in het huidige voorstel. De toelatingsautoriteit vindt dat dit op wezenlijke punten moet worden aangepast om het huidige beschermingsniveau minimaal te borgen en het toelatingssysteem te versterken.

Stoppen periodiek beoordelen alleen onder twee voorwaarden

Op dit moment is het gebruikelijk dat de werkzame stoffen van de middelen allemaal periodiek (doorgaans 10 jaar) opnieuw worden beoordeeld. De commissie stelt voor daarmee te stoppen. Het Ctgb stelt hierbij twee belangrijke voorwaarden. Ten eerste moet een Europees systeem borgen dat nieuwe wetenschappelijke inzichten over risico’s van stoffen tijdig en systematisch worden gesignaleerd. Op basis van die informatie kan een selectie worden gemaakt om de juiste stoffen tussentijds opnieuw te beoordelen. Ten tweede moet vastgelegd worden dat de commissie verplicht is tijdig met een periodiek bijgesteld werkprogramma voor deze herbeoordeling van stoffen te komen. Op deze manier kunnen lidstaten daarvoor de capaciteit plannen en voor de juiste activiteiten inzetten.

‘Stoffen van natuurlijke herkomst’ scherp definiëren

Ook stelt de commissie voor het beoordelen en daarmee op de markt komen van stoffen van natuurlijke herkomst te versnellen. Deze ontwikkeling is door het Ctgb al eerder bepleit. De tijd die vrijkomt door de voorgestelde aanpassingen kan hiervoor worden gebruikt. Het Ctgb constateert echter dat de definitie van ‘stoffen van natuurlijke herkomst’ die de commissie hanteert te breed is. Niet alle stoffen van natuurlijke oorsprong hebben een laag risico. Daarom moeten breedwerkende, giftige stoffen worden uitgesloten van deze definitie. Wanneer die risicovolle stoffen ook onder de voorgestelde voordelen vallen, verlaagt dit het beschermingsniveau van mens en milieu en dat is zeer ongewenst.