Maatregelen om resistentie tegen schimmelmedicijn te voorkomen

Verzwakte ziekenhuispatiënten kunnen een longinfectie krijgen die wordt veroorzaakt door de schimmel Aspergillus fumigatus. Dergelijke schimmels worden in de geneeskunde en daarbuiten bestreden met middelen op basis van zogenaamde azolen. De Aspergillus is echter in toenemende mate resistent tegen deze azolen en daardoor zijn de longinfecties moeilijk te genezen. Onderzoek van het RIVM toont aan dat plantaardig restmateriaal met azolen-residuen gunstige omstandigheden kan bieden voor het ontwikkelen van azolen-resistentie bij Aspergillus fumigatus. Dit is onder meer het geval bij de opslag van organisch restmateriaal van bloembollen en bolbloemen. Daarnaast wordt onderzoek gedaan naar broedplaatsen van resistente schimmel in andere sectoren. Wanneer we dergelijke broedplaatsen tegengaan kan dat infecties bij patiënten met de resistente schimmel mogelijk beperken.

De Aspergillus Fumigatus is een zeer veel voorkomende schimmel en het gebruik van azolenhoudende middelen is wijd verspreid, ook buiten de bollensector. Het Ctgb is verantwoordelijk voor het toelaten van de gewasbeschermingsmiddelen op basis van azolen. Naar aanleiding van het RIVM-rapport besloot het Ctgb tot overleg met de bollensector. Het Ctgb, het ministerie van LNV en de KAVB staan voor het veilige gebruik van azolenhoudende middelen. Samen willen deze partijen maatregelen ontwikkelen die azolen-resistentie tegengaan. Een belangrijk uitgangspunt is dat plantaardige resten niet te lang in de open lucht blijven liggen en gecontroleerd worden afgevoerd en verwerkt. Dit voorschrift wil het Ctgb gaan opnemen op het wettelijk gebruiksvoorschrift voor toegelaten azolen. Momenteel wordt de maatregel uitgewerkt in overleg met de bollentelers en producenten van relevante gewasbeschermingsmiddelen.