Beleid respijttermijnen biociden

Als de toelating van een middel wijzigt, kan de de producent vragen om een termijn waarbinnen het middel nog mag worden verkocht en voorraden opgebruikt. Deze respijttermijn geeft een toelatinghouder de ruimte afnemers en anderen te informeren, en biedt speelruimte om alternatieve middelen te zoeken en om voorraden op te gebruiken. De duur van de respijtperiode voor het op de markt aanbieden is maximaal 180 dagen, en ten hoogste 180 dagen extra voor de verwijdering en het gebruik van bestaande voorraden.

Betreft een intrekking of wijziging een Unietoelating dan stelt de Europese Commissie de respijttermijn, in andere gevallen het Ctgb. Als het op de markt aanbieden of blijven gebruiken een onaanvaardbaar risico voor de gezondheid van mens en dier of het milieu betekent, wordt geen respijttermijn gegeven.

Ook in het geval dat een nationale toelating wordt toegelaten onder de BPR; kan de toelatinghouder het Ctgb vragen een respijttermijn toe te kennen. Het Ctgb geeft deze termijn niet uit zichzelf. De respijttermijn die het Ctgb toekent is conform het overgangsrecht-artikel 89, lid 4 BPR : maximaal 180 dagen voor de aflevertermijn en maximaal 365 dagen voor de opgebruiktermijn.

Onder voorwaarden (collegebesluit augustus 2016) kan het college een respijttermijn (aflever- en opgebruiktermijn) afgeven voor een toelating die niet wordt verlengd, wordt gewijzigd of ingetrokken. De respijttermijn is bedoeld om de sector eraan te laten wennen dat een middel niet langer op de markt is. De termijnen geven de toelatinghouder de ruimte om andere belanghebbenden te informeren zodat de sector naar alternatieve middelen kan zoeken en eventuele voorraden kunnen worden opgemaakt.

De toelatinghouder van het biocideproduct verzoekt om een respijttermijn en onderbouwt waarom deze nodig is en hoe lang deze zou moeten duren. Een verzoek kan worden ingediend door middel van het WI-formulier.