Geschiedenis neonicotinoïden in het kort

De neonicotinoïden zijn zo’n dertig jaar geleden ontwikkeld als een nieuwe, veelbelovende groep van insecticiden. Verschillende middelen op basis van deze stoffen zijn sindsdien in de meeste EU-landen op de markt geweest, tot er zo’n tien jaar terug de eerste signalen kwamen over schadelijke effecten op onder meer bijen.

Op dit moment zijn in de Europese Unie de neonicotinoïden imidacloprid, acetamiprid en thiacloprid nog goedgekeurd onder strenge voorwaarden en beperkingen. Tot begin 2019 waren ook clothianidin (tot 31-1) en thiamethoxam (tot 30-4) nog goedgekeurd, inmiddels niet meer.

Uit wetenschappelijke onderzoeken bleek dat sommige neonicotinoïden gevaarlijk kunnen zijn voor bijen en andere bestuivers. De Europese Commissie heeft daarom in april 2012 EFSA (de Europese Autoriteit voor de Voedselveiligheid) opgedragen de effecten op bijen en andere bestuivers te evalueren van het gebruik als zaaizaadbehandelingsmiddel en granulaat van de drie giftigste neonicotinoïden (imidacloprid, clothianidin, thiamethoxam). Bijen kunnen worden blootgesteld aan het stof dat hierbij vrijkomt.

Begin 2013 publiceerde EFSA de verslagen van deze onderzoeken, met als conclusie dat onaanvaardbare effecten op bijen in bepaalde situaties niet kunnen worden uitgesloten. Op grond daarvan nam de Europese Commissie, in overleg met de lidstaten, in mei 2013 Verordening 485/2013 aan. Daarin werden de voorwaarden voor de goedkeuring van imidacloprid, clothianidin en thiamethoxam verscherpt:

  • Gebruik door particulieren werd verboden, de zaaizaadbehandeling werd beperkt, bladbehandeling van de meeste graangewassen werd verboden, en voor een groot aantal gewassen werd de toepassing beperkt tot gebruik in kassen of na de bloei. De lidstaten moesten hun nationale toelatingen eind september 2013 hebben aangepast.
  • Producenten moesten voor eind 2014 extra informatie aanleveren over een aantal door EFSA geïdentificeerde onzekerheden in de risicobeoordeling.
  • Relevante nieuwe wetenschappelijke informatie voor de beoordeling van de risico’s van de drie stoffen voor bijen en andere bestuivers, moest binnen twee jaar worden meegenomen.

De Europese Commissie vroeg EFSA ook een risicobeoordeling te doen voor de andere toepassingen van de drie neonicotinoïden. Daarover publiceerde EFSA in augustus 2015 drie onderzoeken die de onzekerheden en de risico’s uit het onderzoek uit 2013 in grote lijnen bevestigden. De Europese Commissie zag daardoor geen reden voor nieuwe aanpassingen van de goedkeuringsvoorwaarden.

De extra informatie die producenten voor eind 2014 moesten aanleveren, werd eerst door de rapporterende lidstaat beoordeeld, en vervolgens publiceerde EFSA in oktober 2016 haar conclusies voor imidacloprid en clothianidin. Voor thiamethoxam was binnen de gestelde termijn onvoldoende informatie ingediend.

Voor de aangekondigde herziening binnen twee jaar vroeg de Commissie EFSA een data call-in te organiseren. Daarbij kregen lidstaten, producenten, ngo’s en anderen de mogelijkheid informatie in te dienen die zij relevant vonden voor de beoordeling van de risico’s voor bijen en andere bestuivers. EFSA evalueerde al deze gegevens en publiceerde in februari 2018 een nieuwe reeks conclusies.

Op grond van deze opeenvolgende reeksen van EFSA-evaluaties verscherpte de Europese Commissie de goedkeuringsvoorwaarden verder met de Verordeningen 2018/783 (imidacloprid), 2018/784 (clothianidin) en 2018/785 (thiamethoxam). Deze schrijven voor dat gewasbeschermingsmiddelen die één of meer van deze drie neonicotinoïden bevatten alleen nog toegepast mogen worden op gewassen die gedurende hun volledige levenscyclus in een permanente kas blijven, of op zaaizaden die alleen bedoeld zijn voor gebruik in permanente kassen (waarbij het gewas de hele levenscyclus in de kas blijft). De lidstaten moesten hun toelatingen voor half september 2018 aanpassen. Vanaf 19 december 2018 moeten de telers de nieuw ingestelde beperkingen in acht nemen.