Voorwaarden integraal IPM systeem voor knaagdierbeheersing

Het Ctgb heeft besloten tot invoering van het integraal IPM systeem en daarbij op 28 november 2018 de volgende voorwaarden voor dit systeem vastgesteld:

Voorwaarden voor integraal IPM systeem knaagdierbeheersing

  1. Iedereen die biociden wil gebruiken die vallen onder het integrale IPM-systeem, moet een degelijke kennis hebben van alle maatregelen die nodig zijn om het gebruik van die biociden tot een minimum te beperken. Die kennis is geëxamineerd door een van de erkende examen instituten. Tevens is een certificering op bedrijfsniveau vereist om deze biociden te mogen inzetten.
  2. Het integrale IPM-systeem voor knaagdierbeheersing zal beschreven worden in een handboek. Dit handboek is de basis voor opleiding, examinering en certificering en is een naslagwerk voor de knaagdierbeheerser in de praktijk.
  3. Het handboek dient zo te worden vorm gegeven dat nieuwe stoffen (ook niet- anticoagulantia) waarvan de middelen worden toegelaten onder artikel 19(5) eenvoudig aan het systeem kunnen worden toegevoegde zonder dat dit een volledige herziening van het handboek noodzakelijk maakt. De stoffen waarvoor het integrale IPM-systeem geldt worden ‘de aangewezen stoffen’ genoemd. Het Ctgb stelt vast welke stoffen dit zijn.
  4. Op 1 november 2018 zijn de aangewezen stoffen: brodifacoum, bromadiolon, chloorfacinon, coumatetralyl, difenacum, difethialon en flocoumafen.
  5. Het integrale IPM-systeem is bedoeld om de inzet van biociden op basis van de aangewezen stoffen bij de beheersing van ratten- en muizenpopulaties te minimaliseren. De reden is dat het hier gaat om biociden die niet voldoen aan de voorwaarden voor toelating (zoals: persistentie, doorvergiftiging), maar die desondanks toch worden toegelaten vanwege maatschappelijke noodzaak om over deze biociden te beschikken voor de beheersing van knaagdieren. Of het IPM-systeem gevolgd moet worden staat aangegeven in het gebruiksvoorschrift van het betreffende rodenticide.
  6. Bij het opstellen van het handboek zullen de praktijkervaringen van de afgelopen jaren met opleiding en examinering en uit audits meegenomen worden. Organisaties met deskundigheid op dit vlak, zoals het KAD, de opleidingsinstituten, auditors en de inspecties dienen daarom betrokken te worden bij het opstellen van de tekst van het handboek.
  7. De deskundigheid van de knaagdierbeheerser staat centraal in het gecertificeerde IPM-systeem. Het Ctgb houdt hier rekening mee bij het vaststellen van eisen voor beperking van het gebruik, opgenomen in de SPC van de biociden op basis van de aangewezen stoffen.
  8. De opgelegde restricties aan de professionele beheersers zijn handhaafbaar. Omdat de effectiviteit van een curatieve inzet van de biociden op basis van de aangewezen stoffen grotendeels gebaseerd is op de deskundigheid van de knaagdierbeheerser, is het noodzakelijk dat de inzet van deze biociden en de onderbouwing hiervan op essentiële punten door de certificerende instantie en de inspectiediensten kan worden gehandhaafd.
  9. Allen die beroepsmatig gebruik maken van biociden op basis van aangewezen stoffen, hebben een gedegen opleiding gevolgd op het punt van minimalisering van gebruik van deze biociden. De exameneisen dienen zodanig te zijn dat getoetst wordt dat degene die knaagdieren wil bestrijden met biociden op basis van aangewezen stoffen, volledig op de hoogte is van de werkwijze die volgens het IPM-handboek moet worden gevolgd.
  10. De inzet van chemische middelen mag nooit preventief of continu zijn. Ze mag uitsluitend plaatsvinden tijdens bestrijdingsacties bij verhoogde plaagdruk (curatieve inzet). In het ‘plan van aanpak voor beheersing’ staat per locatie wat wordt verstaan onder ‘verhoogde plaagdruk’.
  11. De inzet van de biociden op basis van de aangewezen stoffen is alleen toegestaan als het niet mogelijk blijkt om met niet-chemische methoden de ‘verhoogde plaagdruk’ weg te nemen.
  12. Inzetten van de biociden op basis van de aangewezen stoffen mag niet in open veld. Indien buitengebruik noodzakelijk is, worden de biociden op basis van de aangewezen stoffen slechts toegepast in en rondom gebouwen of voedselopslagplaatsen.
  13. De beheersing is brongericht. Als de bron van de plaag buiten het terrein ligt, en deze niet rechtstreeks kan worden aangepakt dienen er aanvullende maatregelen te worden getroffen in de vorm van overleg en afspraken met buren, gemeente en inspectiediensten. Er mag geen langdurige bestrijding met de biociden op basis van de aangewezen stoffen plaatsvinden omdat de bron niet kan worden aangepakt.
    Situaties waar terrein overstijgende maatregelen nodig kunnen zijn, zijn bijvoorbeeld gebieden waar een hogere plaagdruk regelmatig voorkomt, zoals haventerreinen en afvalverwerkingsbedrijven. Daarnaast kan ook worden gedacht aan woongebieden waar overmatig vogels worden gevoerd of afval/etensresten worden gedumpt (stedelijke gebieden) of nabijgelegen hobbyboeren die geen maatregelen treffen. Hierbij is identificatie en registratie van brongebieden noodzakelijk en is een regionale samenwerking gewenst om de inzet van biociden op basis van aangewezen stoffen te minimaliseren. Daarbij dienen alle betrokken partijen hun verantwoordelijkheid te nemen.
  14. Het handboek geeft de professionele beheerser een beslisboom waarmee deze bepaalt of inzet van biociden op basis van de aangewezen stoffen echt noodzakelijk is. De criteria wanneer overgegaan kan worden op het gebruik van deze biociden dienen helder en verifieerbaar te zijn.
  15. Het bestrijdingsplan bevat een risico-inventarisatie. Er dient bij de risico-inventarisatie en bij de monitoring specifieke aandacht te worden besteed aan risico’s voor mensen, huisdieren, vee en wilde dieren. Bijzondere aandacht moet daarbij uit te gaan naar het risico op primaire en secundaire doorvergiftiging van niet-doelwitsoorten. Hierbij kan gedacht worden aan inventarisatie van de soorten en aantallen niet-doelwitsoorten in de directe omgeving en het risico op (door)vergiftiging bij deze soorten. Ook het voorkomen van verspilling naar het milieu en het opruimen van resten verdient extra aandacht, inclusief het opruimen van keutels en kadavers.
  16. De keuze voor de inzet van biociden op basis van de aangewezen stoffen dient te worden onderbouwd en geregistreerd in het plan van aanpak voor de beheersing.
  17. Bestrijdingsacties worden door de knaagdierbeheerser in het plan van aanpak voor beheersing genoteerd en de resultaten van elke bestrijdingsactie worden geëvalueerd zodat er lessen getrokken kunnen worden uit succesvolle en niet succesvolle bestrijdingsacties.
  18. Preventieve maatregelen tussen curatieve periodes worden door de knaagdierbeheerser in het plan van aanpak voor beheersing genoteerd en de resultaten worden geëvalueerd zodat er lering getrokken wordt uit succesvolle en niet succesvolle maatregelen. Indien preventieve maatregelen niet (meer) voldoende blijken worden deze waar mogelijk aangevuld.
  19. Kennisuitwisseling tussen professionele knaagdierbeheersers wordt gefaciliteerd door de brancheorganisaties of opleidingsinstituten.
  20. Samenwerking tussen opdrachtgever en professionele beheerser: om niet-chemische methodieken effectief te kunnen inzetten, is het essentieel dat de knaagdierbeheerser intensief samenwerkt met de opdrachtgever. Niet-chemische middelen kunnen kostbaar en/of arbeidsintensief zijn. Aangezien de knaagdierbeheerser zich zal moeten verantwoorden en moet registeren waarom niet-chemische methodieken níet zijn ingezet, zal hij heldere afspraken moeten maken met de opdrachtgever. Opdrachtgevers die weigeren noodzakelijke, niet-chemische maatregelen te nemen kunnen door de professionele beheerser worden gemeld bij de stichting KPMB. De stichting KPMB houdt een register bij van deze meldingen.
  21. Informatie over verminderde werking en mogelijke resistentie in ratten en muizen tegen aangewezen stoffen wordt door de knaagdierbeheerser verzameld. Ze geven dit door aan de toelatinghouder van deze middelen. De toelatinghouder is verplicht in het kader van artikel 47 BPR om deze informatie door te geven aan het Ctgb en ECHA.