Jubileumsymposium ‘Tussen brein en onderbuik’

Vanwege het 25-jarig jubileum van het College organiseerde het Ctgb woensdag 7 november 2018 een symposium over risicocommunicatie en risicoperceptie onder de titel ‘Tussen brein en onderbuik’. De afgelopen vijfentwintig jaar is de publieke belangstelling voor het werk van het Ctgb enorm toegenomen. De middag is door zo’n honderd deelnemers bijgewoond.

College-voorzitter Johan de Leeuw leidt het symposium in. Hij loopt de ontstaansgeschiedenis van het Ctgb langs vanaf de bestrijdingsmiddelenwet uit 1962, via de benoeming van een onafhankelijk college in 1993, tot nu. Hij schetst en illustreert vier belangrijke tendensen sinds de eerste collegevergadering 25 jaar geleden: van nationaal naar Europees; van chemie naar geïntegreerd en groen; van algemeen, breed werkend, naar specifiek, ‘personalized’; meer transparantie en publieke belangstelling. Deze vierde tendens is het onderwerp van de dag. Hoe moeten we omgaan met het verschil tussen de wetenschappelijke risicobeoordeling en de perceptie van diezelfde risico’s in de maatschappij? Hij benoemt de dilemma’s en besluit met de stelling dat: aandacht voor zichtbare risicoreductie bijdraagt aan acceptatie van en begrip voor acceptabel risico, ook op het terrein van biociden en gewasbeschermingsmiddelen. Dat vergroot het vertrouwen in en gezag van het Ctgb.

Prof. dr. Tjabe Smid, Amsterdam UMC – Risicoperceptie

Tjabe Smid opent zijn presentatie met een citaat van Louis van Gaal: ‘Zijn jullie nu zo dom of ben ik nu zo slim’. Dit om de houding in veel professionele risico-communicatie weer te geven: ‘Ik leg het toch uit, begrijpen jullie het nu nog niet’. Vervolgens laat hij zien hoe ook de overheid keuzes maakt in de communicatie, keuzes die ook niet altijd rationeel zijn. Waar moeten we ons in Nederland druk over maken als de terrorismedreiging op het een na hoogste niveau (4) wordt gesteld, en de luchtkwaliteit als ‘goed’ tot ‘matig’ wordt gekwalificeerd. Dat wekt de indruk dat we ons meer zorgen moeten maken over terrorisme dan over de luchtkwaliteit. En dit in de wetenschap dat volgens het RIVM luchtverontreiniging leidt tot 6.700 tot 12.900 doden per jaar en terrorisme vorig jaar tot geen enkele dode. Ook de media-aandacht weerspiegelt niet de reële risico’s die wij lopen. Het neerschieten van de MH17 leidde tot 298 doden tegenover 600 verkeersslachtoffers elk jaar. De aandacht is omgekeerd evenredig. De inschatting van risico’s door experts en burgers loopt wijd uiteen, experts kijken kwantitatief en burgers intuïtief. Smid laat de invloed op die intuïtie zien op de inschatting van risico’s van grote en onherstelbare gebeurtenissen (catastrofes), gebeurtenissen met onbekende gevolgen, eerdere calamiteiten, gevaren die niet waar te nemen zijn zoals straling, die door de mens veroorzaakt zijn, en die waarover geen persoonlijke controle is. Hij besluit: voor sommige risico’s zijn we overbezorgd, voor andere veel te weinig, de mogelijkheden van communicatie zijn beperkt – bijvoorbeeld doordat experts elkaar tegenspreken – maar we hebben weinig keus. Zijn advies: denk vooral na met wie je in discussie gaat. Bij ‘alarmisten’ dringt je boodschap niet door, richt je op de twijfelaars.

Dr. Arnout Fischer, WUR – Risicobeoordeling en -perceptie. Zijn ze wel volledig te objectiveren

Arnout Fischer haakt in op de presentatie van Tjabe Smid en schetst de omgang met risicoperceptie sinds de jaren zestig. Risicobeoordeling en -management gaan ervan uit objectief en rationeel te zijn. Hij geeft aan dat de intuïtieve beoordeling van een situatie, ook een natuurlijk mechanisme is. Als je een tijger ziet moet je wegwezen. Intuïtie leidt hier tot rationeel gedrag. Ook risicomanagement is niet objectief. Je beschikt nooit over alle informatie, en gaat uit van modellen. Er zijn dus altijd subjectieve keuzes gebaseerd op onderliggende waarden. Interactie met het publiek kan leren welke waarden daar leven en meegenomen moeten worden. Wat ook betekent dat je dan moet durven van aanpak te veranderen. Hij geeft een aantal aanbevelingen voor de weg vooruit: erken de eigen subjectieve keuzes en maak ze expliciet, laat zien dat je best practices ook subjectief zijn, maar dat dit het beste is dat je hebt, accepteer en respecteer de subjectiviteit van anderen. En vraag een ander niet om zijn mening als je niet bereid bent je eigen aannames te onderzoeken.

Prof. dr. Antoon Opperhuizen, directeur BuRO, NVWA – Rimpelingen in de samenleving: de natuurwetten van risicocommunicatie

Antoon Opperhuizen begint met een YouTube-filmpje waarbij je een waterdruppel in het water ziet vallen, hij stuitert, komt kleiner terug, en dit herhaalt zich nog een aantal keren, ondertussen zie je een rimpeling door het water trekken. Vervolgens demonstreert hij waarom het fipronil-incident zo leerzaam is voor dit symposium. Aanvankelijk ging dit om een biocide dat verboden is in de pluimveesector. Als zoiets wordt aangetroffen in eieren, meet je, kijk je naar veiligheidsnormen: zijn er overschrijdingen dan moeten die eieren uit de handel. Dus de NVWA gaat beoordelen (meten), bepaalt het risicomanagement en communiceert dat. Er is een probleem met het systeem van voedselveiligheid, de norm wordt overschreden en dat moet je aanpakken. De schaalgrootte en het internationale karakter compliceerde dit echter enorm. Elke dag waren er 87.000 posts op twitter, het probleem betrof meer dan 200 bedrijven en 20% van de eiermarkt. Door verschillen van mening van autoriteiten en EU-lidstaten, begint het uit de hand te lopen. Het verschuift van een voedselveiligheidsprobleem naar een volksgezondheidsprobleem. Daarmee verschuift ook de perceptie van pers en publiek. Bij een volksgezondheidsprobleem moeten ook gevaar en blootsttelling gekarakteriseerd worden. Duitsland publiceerde inmiddels codes van besmette eieren, in de media werd het ei met fipronil al een ‘gif-ei’, de plaatsvervangend Inspecteur Generaal van de NVWA raadde op tv aan even geen eieren te eten, waarmee de communicatie verschoof van een aanpak van vertrouwen wekken (trust raising) naar bewustmaken (awareness) van gevaar. Dat leidde tot een volstrekt andere dynamiek omdat het daarmee consumenten direct leek te raken. De NVWA had achteraf vooral moeten communiceren over de kans dat er een probleem voor de individuele consument zou ontstaan, niet over het effect van het eten van eieren. Bij risicocommunicatie gaat het ook over belangen. De conclusie in de praktijk is: besef dat anderen andere beelden hebben van risico’s en ze anders beleven en accepteren. Wees waakzaam voor het verschuiven van de focus van het debat (een systeem-probleem naar een individueel probleem). Toon begrip voor angsten in de samenleving en toon aan dat jij ‘erover gaat’ en ‘ervoor bent’ om te helpen het risico te beperken en wees voorspelbaar. Formuleer een strategische aanpak vanuit óf awareness óf trust raising en switch niet!

Discussie over waarden

Grote gemene deler in de drie presentaties is: risicoperceptie blijkt een discussie over waarden. Waarbij onze kernwaarde dat iets klopt als het wetenschappelijk bewezen is, door anderen in twijfel wordt getrokken en ze daar andere waarden tegenover stellen. In die context helpt communiceren als je ervoor zorgt dat je betrouwbaar bent, consistent en voorspelbaar, en je dat uit in je communicatie. Maar dat is niet meer dan een randvoorwaarde. Geef daarin ook aan dat er anderen zijn die er anders naar kijken en respecteer dat.

Afsluiting

Luuk van Duijn, secretaris / directeur van het Ctgb sluit af: als Ctgb publiceren wij over onze besluiten en leggen wij uit wat we doen. We spreken onder meer ook met gebruikers, maar ook ‘groene’ ngo’s. Doen we dat genoeg? Nee. Alles bij elkaar kan onze communicatie op hoofdlijnen zeker beter. Gewasbeschermingsmiddelen en biociden zitten in de risicohoek. Bij biociden merken we dat er minder discussie is omdat die vaker door consumenten worden gebruikt. Voor wat betreft het advies ‘richt je op de twijfelaars’. We hebben als officiële communicatiestrategie onze omgeving breed te informeren. We gaan met allerlei organisaties in gesprek, en richten ons op de vakpers, zoals de agrarische bladen, maar we richten ons niet primair op de burgers. Dus ja, de doelgroep zijn de twijfelaars, ons doel is vertrouwen in het systeem en in de organisatie. ‘Nudging’? Dat doen we ook maar voor de doelgroep niet-professionele gebruikers. Als we op een biocide een heel moeilijk voorschrift zouden moeten zetten, dan doen we het niet, vaak zit de oplossing in fool-proof-ready-to-use-verpakkingen en anders is er geen toelating. Voor ons is communiceren belangrijk voor het vertrouwen in ons. Dat vertrouwen is redelijk groot, maar dat heeft niet per se met waarden te maken. Mensen die het niet eens zijn met Ctgb-besluiten zijn aan de ene kant mensen die zeggen: waarom laat je het überhaupt toe? En aan de andere kant gebruikers die vragen: waarom laat je het niet toe? Bij de eerste groep gaat onze communicatie om trust raising, terwijl het bij die gebruikers gaat om awareness raising. Wij werken volgens het voorzorgsbeginsel: het mag niet, tenzij. Dus een middel wordt alleen toegelaten als het veilig te gebruiken is. En we bewegen mee als er nieuwe effecten worden gevonden, hogere eisen worden gesteld. Een toelating is per definitie voor een beperkte tijd geldig. En als blijkt dat er ondanks een goede beoordeling en toelating toch ongewenste effecten optreden, kunnen wij ingrijpen. Zoals we vanmiddag hoorden, gaat de discussie vooral over waarden. De discussie over glyfosaat gaat niet zozeer over de stof, maar veeleer over Monsanto. Die gaat over waarden, waarvan de gemiddelde burger zegt: dat is niet mijn waarde. Als je het zo bekijkt kun je er op een andere manier mee omgaan en dat maakt het begrijpelijk. Het gaat om het verschil tussen ‘What’s in it for me’ en ‘What’s in it for him’. We gaan hiervan leren. En we blijven ook verantwoording afleggen.

Het publiek had een interessante middag. Bezoekers zeiden na afloop:

“Het Ctgb komt uit zijn ivoren toren. Het zoekt communicatie en contact, niet alleen met technici, maar ook met het ‘maatschappelijk belang’. Dit soort dingen moeten jullie vaker doen. De bühne opgaan bij plaagdierbestrijders, op de Killgerm-dagen of op een beurs voor twee- of driehonderd mensen.”

“Ik vond de breedte met de verschillende invalshoeken interessant. En ik was getroffen door de zelfkritische afsluitende woorden. Wat me ook opvalt als ik hier mensen spreek, is dat het Ctgb volgens de een als politieke organisatie gaat handelen, terwijl de ander juist het tegenovergestelde zegt: het is onafhankelijk en neutraal.”

Tussen brein en onderbuik 2

Zie ook