Biociden op basis van voedingsmiddelen

Voor biociden op basis van voedingsmiddelen verlopen begin september 2019 de termijnen waarbinnen ze op de markt mogen zijn zonder toelating. Of die middelen dan als biociden van de markt moeten, hangt ervan af of er in Europa een aanvraag voor beoordeling van de stof is ingediend. Producenten kunnen dat nagaan bij ECHA.

Zodra er een nieuw plaagdier opduikt, ontwikkelen ondernemers methoden om dat te bestrijden. Onder de biocidenrichtlijn mocht je hiervoor voedingsmiddelen gebruiken, vanuit de gedachte dat als een stof is goedgekeurd als voedingsmiddel, die zo onschadelijk is dat je die ook gerust als biocide kan gebruiken om plagen te bestrijden. Onder de biocidenverordening is dat veranderd.

ECHA heeft op basis van beschikbare wetenschappelijke literatuur een aantal van dit soort voedingsstoffen (waarvoor de industrie interesse toonde als werkzame stof) beoordeeld. Op basis van het ECHA-advies en dat van de lidstaten heeft de Europese Commissie besloten dat 7 stoffen inderdaad laag-risico zijn. Deze worden opgenomen op de lijst met laag-risicostoffen (Annex I van de biocidenverordening) en producenten kunnen via een aanvraag voor een (vereenvoudigde) toelating middelen met die werkzame stof op de markt brengen. Eind dit jaar zullen die stoffen – kaas, geconcentreerd appelsap, fruitsuiker, honing, eipoeder, gist en azijn – geplaatst zijn op de lijst (Annex I).

Van 6 andere stoffen, waaronder knoflookextract, kan ECHA zonder aanvullende gegevens niet beoordelen of ze laag-risico zijn, mogelijk wel. Voor die stoffen moet voor 4 september 2019 een stofdossier zijn ingeleverd om te bepalen of ze ook op de laag-risicolijst geplaatst kunnen worden. Dat gaat om 3 verschillende soorten peper, knoflookextract, moutextract en sinaasappelextract.

Als er voor deze stoffen voor 4 september 2019 een aanvraag is ingediend, kunnen middelen met die stoffen in de verschillende EU-landen als biocide op de markt blijven tot de risicobeoordeling van de stof en later ook het product is afgerond. Wordt de stof daarna op Annex I geplaatst dan kunnen producenten een vereenvoudigde toelating aanvragen. Wordt de stof wel goedgekeurd maar niet als laag-risicostof, dan moeten producenten een reguliere toelating onder de biocidenverordening aanvragen. Dan is het ook van belang of het over een lokstof of afweerstof gaat, of om een dodende stof. Voor een vereenvoudigde toelating van een stof is dat niet nodig.

Producenten die nu middelen op basis van deze stoffen op de markt hebben, kunnen via de informatie op de ECHA-website contact zoeken met de aanvrager, om hun interesse in de stof kenbaar te maken en zich eventueel aan te sluiten bij het consortium dat de stof verdedigt.

Loopt er geen aanvraag voor de stof dan zijn de middelen in september illegaal als biocide op de markt.