‘Natuurlijk’ wil niet zeggen dat er geen risico’s zijn. Veel gifstoffen zijn van natuurlijke oorsprong. Van stoffen uit de zaden en bladeren van vingerhoedskruid kun je hartritmestoornissen krijgen, en ook het bekende gif cyanide (cyaankali) is een natuurlijke stof. Planten scheiden dit soort stoffen af om zich te beschermen tegen insecten of schimmels, of om ervoor te zorgen dat een zoogdier een plant niet opeet. Veel chemische werkzame stoffen in gewasbeschermingsmiddelen zijn gebaseerd op dit soort stoffen van planten.

Naast plantenextracten worden er ook steeds meer bacteriën, schimmels en virussen ingezet in de gewasbescherming. Bacteriën worden gebruikt om wortels van planten te koloniseren zodat andere bacteriën en schimmels geen kans krijgen, om specifieke schimmels tegen te gaan, om insecten te weren – die worden er ziek van – of om de weerstand te verhogen. Schimmels worden bijvoorbeeld ingezet tegen insecten of om een kwaadaardige andere schimmel tegen te gaan. En verzwakte varianten van een virus kunnen gebruikt worden als 'vaccinatie' om een plant te beschermen tegen een agressievere variant van dat virus.

Micro-organismen zoals bacteriën zijn van nature alom aanwezig. Eén eetlepel bodem bevat evenveel bacteriën als er mensen op aarde zijn (7,6 miljard). Ze zitten in elke plant, in jezelf – onze stofwisseling ‘draait’ voor een groot deel op bacteriën – en er is een continue uitwisseling van genetisch materiaal. Ook als we reizen, reizen bacteriën mee en verspreiden ze zich. De omstandigheden zorgen ervoor dat een bacterie na soms wel eeuwen slaap ontwaakt en zich gaat delen. Er zijn bacteriën waarvan een individuele cel al een miljoen jaar leeft en er zijn er die 250 miljoen jaar als spore geconserveerd zijn geweest, waarna ze binnen een paar uur weer kunnen uitgroeien tot bacterie. Als de condities goed zijn, gaat er vanzelf wat groeien. Bacteriën zijn er dus altijd en overal. Met mest of compost, zoals we al eeuwen uitrijden over het land, komen er miljarden bacteriën in het milieu. Met dat in het achterhoofd maakt het weinig uit als je daar nog één bekende en geteste bacteriestam aan toevoegt.

Of een organisme – een schimmel, bacterie of virus – toegelaten moet worden als gewasbeschermingsmiddel is afhankelijk van wat er op het etiket staat, en het doel. De risicobeoordeling voor gewasbeschermingsmiddelen en werkzame stoffen is echter nog vooral ingericht op de risico’s van chemische stoffen. Voor plantenextracten en semiochemicals zoals feromonen (lokstoffen) is inmiddels wel toetsingskader ontwikkeld, maar micro-organismen en virussen blijven daarbinnen nog een beetje een vreemde eend. Met de toenemende vraag naar ‘groene middelen’ zijn inmiddels wel overal in Europa experts druk bezig ook hiervoor een beter passend toetsingskader te ontwikkelen.