Voorzorgsbeginsel

Regelmatig duikt in berichtgeving in de media en in discussies op social media het voorzorgsbeginsel op. Wat is het voorzorgsbeginsel? Waarop is het van toepassing? En wat is de betekenis ervan voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden?

Eenvoudig gezegd komt het voorzorgsbeginsel erop neer dat een product, procedé of werkzame stof pas op de Europese markt mag komen als dat veilig is. Veilig betekent dan dat wetenschappelijk is aangetoond dat er geen schadelijke effecten zijn op de gezondheid van mens of dier en geen onaanvaardbare risico’s voor het milieu. Bij wetenschappelijke onzekerheid hierover of een aannemelijk risico verbiedt de Europese Unie het product, procedé of de stof om mens, dier en milieu te beschermen. De toepassing van het voorzorgsbeginsel bestrijkt in de praktijk het beleid van de Europese Unie voor consumenten, voedingsmiddelen, en de gezondheid van mensen, dieren en planten. Het is bovendien onderschreven in verschillende internationale verdragen, onder meer van de Wereldhandelsorganisatie.

Daarmee ligt het voorzorgsbeginsel aan de basis van de Europese goedkeuring van werkzame stoffen, gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Het voorzorgsbeginsel is het uitgangspunt voor de Europese verordeningen voor gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Het verplicht tot een risicobeoordelingssystematiek waardoor alléén als is aangetoond dat werkzame stoffen en gewasbeschermingsmiddelen en biociden veilig te gebruiken zijn, deze binnen de Unie volgens de voorschriften een aantal jaren (meestal tien) gebruikt mogen worden. Daarna volgt een herbeoordeling. Die beoordeling volgens de verordeningen voor gewasbeschermingsmiddelen en biociden dekt de risico’s af. Immers, werkzame stoffen en middelen die niet door die risicobeoordeling komen, mogen niet in de Europese Unie worden gebruikt. De bewijslast voor veilig gebruik ligt bij de producenten die de werkzame stof of het product op de markt willen brengen. De Europese overheid en de toelatingsautoriteiten in de verschillende lidstaten beoordelen de wetenschappelijke onderbouwing.

Om potentiële risico’s zo goed mogelijk uit te sluiten voordat voor een werkzame stof een goedkeuringsbesluit wordt genomen, nodigen EFSA (de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid) en ECHA (het Europees Agentschap voor chemische stoffen) in een consultatieronde iedereen uit om wetenschappelijke publicaties en onderzoeksrapporten te overleggen die mogelijk niet zijn meegenomen in de risicobeoordeling. Dit is als extra waarborg of voorzorg in de beoordelingssystematiek opgenomen. Wetenschappers uit allerlei disciplines kunnen hierdoor meekijken en hun onderzoeken aanleveren in de fase voor de besluitvorming over de goedkeuring van een werkzame stof. Dit is dus een extra stap om de wetenschappelijke bewijsvoering voor een goedkeuringsbesluit volgens het voorzorgbeginsel zo goed mogelijk te onderbouwen.

Als een werkzame stof of middel al is toegelaten tot de markt en er komen nieuwe sterke wetenschappelijke aanwijzingen voor risico’s, dan zit er een ‘noodknop’ in de verordeningen. Ze bieden de ruimte om in dat geval die niet in de eerdere risicobeoordeling meegenomen aanwijzingen te beoordelen en wegen, en zo nodig maatregelen te nemen of de toelating van stoffen en middelen in te trekken. Wetenschappers, belanghebbenden en politici die met nieuw wetenschappelijk bewijs van een risico een beroep willen doen op het voorzorgbeginsel, moeten dus een beroep doen op die bepalingen uit de verordeningen en hun bewijs overleggen voor beoordeling.

Deze uitleg van het voorzorgsbeginsel wordt bijvoorbeeld onderschreven in overwegingen 116 tot en met 120 van een uitspraak van Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 mei 2018 en in een uitspraak uit 2019 rond de EU-goedkeuring van glyfosaat.